Overdenking bij Pinkstervesper 2018: Dietrich Bonhoeffer

18 mei 2018
Paaskerk
Renger Prent

Dietrich Bonhoeffer

Wie is hij? Dietrich Bonhoeffer, geboren in 1906, in een aristocratisch milieu. Op 21 jarige leeftijd is hij gepromoveerd, op 24 jarige leeftijd universitair docent. Hij was zich als één van de eerste theologen bewust van het intrinsieke kwaad van het nationaal-socialisme en het anti-semitisme. Al in 1935 zegt hij: ‘Alleen wie opkomt voor de joden mag nog gregoriaans zingen’.

Binnen de kerk groeit de beweging ‘Deutsche Christen’ uit tot een groot instituut, zij ziet de kerk als ideologische steunpilaar van het nat.-socialisme. In de kerk van Bonhoeffer werd in 1933 op de synode van Berlijn de Ariërparagraaf ingevoerd opdat het predikantenambt alleen door ‘raszuivere’ mensen wordt uitgeoefend. Die synode wordt de ‘bruine synode’ genoemd, vanwege het grote aantal deelnemers dat in het bruine hemd van de SA verschijnt.

Kort daarna wordt Bonhoeffer predikant bij de Duitse gemeente van Londen. In 1935 komt hij terug en wordt leider van een nieuw seminarie voor studenten van de Bekennende Kirche, een bescheiden organisatie waarvan niet alle leden tegen het nat.-socialisme waren, maar wel tegen inmenging van de staat in de kerk. In 1937 werd het seminarie door de Gestapo gesloten.

Bonhoeffer dreigde opgeroepen te worden voor militaire dienst, maar kreeg toestemming voor een reis naar Engeland en Amerika en uitstel van militaire dienst. Hij voelt zich verplicht om terug te keren naar Duitsland. Daar veranderen zijn aanvankelijk nogal pacifistische opvattingen over verzet tegen de overheid en gaat hij steeds scherper de tekortkomingen van de Lutherse twee-rijken-Ieer zien.

Bonhoeffer werd aangesteld bij de militaire inlichtingendienst waar veel mensen werkten die betrokken waren bij het verzet. Toen de Gestapo malversaties bij de dienst ontdekte, werden veel medewerkers daarvan, ook Bonhoeffer, in april 1943 gearresteerd. Omdat hij als politieke gevangene werd gezien, kreeg hij geen steun van de Bekennende Kirche. Tot eind 1944 zat hij gevangen in Berlijn-Tegel. Een bevriende bewaarder smokkelde zijn brieven naar buiten. Die brachten hem uiteindelijk de bekendheid en waardering die hij nu heeft.

Hij schreef ze aan zijn collega Eberhard Bethge en ontwikkelt daarin zijn gedachten over de kerk na de oorlog en een religieloos christendom. Hij stelt veel goede vragen, geeft soms een begin van antwoord. Hij wist dat na de oorlog in West-Europa het spreken over God met veel uitroeptekens en zekerheden, niet meer zou kunnen. Op grond daarvan is hij nogal eens tot een vroege ontwerper van de god-is-dood theologie gezien. Dat lijkt niet juist, hij stelt wel dat de vanzelfsprekendheid van een samenleving die berust op waarden en normen vanuit een breed gedeelde christelijke overtuiging, voorbij zal zijn. Hij stelt de vraag hoe dan nog zinvol over God te spreken is en hoe daar gestalte te geven aan het kerk-zijn.

De kerk heeft die vragen niet opgepakt. De meerderheid van de Duitse kerken heeft hem nog jarenlang gezien als een landverrader en een politieke activist. Eerst na publicatie van zijn gevangenisbrieven en de waardering die zij buiten Duitsland kregen, kwam daar verandering in.
Een enkel woord van hem:

‘Er bestaan niet twee werkelijkheden, maar slechts één, dat is de werkelijkheid van God, zoals deze in Christus openbaar geworden is in de werkelijkheid van de wereld’.

‘De God die de wereld doet leven zonder de werkhypothese God, is de God voor wiens aanschijn wij staan. Voor en met God leven wij zonder God. God laat zich uit de wereld terugdringen tot op het kruis’.

‘De dag zal komen dat weer mensen worden geroepen om het woord van God zo te spreken, dat de wereld daardoor verandert. Het zal een nieuwe taal zijn, misschien volstrekt niet-religieus, maar bevrijdend en verlossend zoals de taal van Jezus.’

Kort voor het einde van de oorlog wordt hij naar het kamp Flossenburg gebracht. Daar wordt hij op 9 april 1945, op persoonlijk bevel van Hitler, opgehangen. De beul zei: Nooit heb ik iemand zo kalm en beheerst het schavot zien beklimmen.

Voor hem gold wat hij allen voorhield: ‘Alleen wie zo houdt van het leven en de aarde, dat met het verlies hiervan alles hem/haar verloren schijnt, mag in de verrijzenis en een nieuwe wereld geloven.