WIE WAS DIETRICH BONHOEFFER

Overweging tijdens vesperviering op Weg naar Pinksteren
donderdag 6 juni 2019
Kruiskerk
Ds. Sieb Lanser

Voor velen is Bonhoeffer een fascinerend en inspirerend christen. Geboren in 1906 in een niet erg kerkelijk gezin, meer ‘cultuurchristenen’. Toch kiest hij voor een studie theologie, ook met de wens om de kerk te hervormen. Achteraf gezien is Bonhoeffers leven en werk inderdaad hervormend te noemen.
Als er één vraag is die Bonhoeffer zijn hele leven heeft beziggehouden, dan is dat de vraag naar het wezen van de kerk. Wie is de kerk? Wat is de kerk? waar is de kerk?
Op 21-jarige leeftijd promoveert hij op ‘de kerk als gemeenschap der heiligen’. De kerk moet het niet zozeer over Christus hebben, als wel zelf de openbaring en vindplaats van Christus in de wereld zijn. Christus bestaat als gemeente.
Na zijn studie en promotie komt hij tijdens een verblijf in New York in aanraking met de social gospel uit de wijk Harlem. Nu begrijpt hij pas echt – buiten de studeerkamer – dat het Evangelie ook wat te zeggen heeft voor het leven op straat. In een Baptistenkerk in Harlem wordt hij geraakt door de saamhorigheid in deze zwarte geloofsgemeenschap, tegen de achtergrond van uitsluiting en racisme.

Door zijn internationale contacten speelt hij een belangrijke rol in de internationale oecumene. Daarnaast is hij één van de vooraanstaande figuren van de Bekennende Kirche, een beweging binnen de kerk van Duitsland die zich kritisch opstelt tegenover de nazi’s. Bonhoeffer wordt benoemd tot directeur van een predikantenseminarie en het bijbehorende broederhuis.
Zijn leven en werk staan continu in verhouding tot Hitlers nationaal-socialisme. Via familiebanden raakt hij betrokken op het verzet. Aanvankelijk propageert hij het pacifisme, maar later verandert dat. Zo raakt hij zelfs betrokken bij de aanslag op Hitler op 20 juli 1944. Hij voorziet de aanslagplegers van een legitieme, morele basis voor deze daad.

Op 5 april 1943 was Bonhoeffer gearresteerd en overgebracht naar de gevangenis van Tegel, in het noordwesten van Berlijn. Daar schrijft hij veel gebeden en gedichten.
Bonhoeffers gevangenisperiode is vooral bekend geworden door de brieven die hij schreef aan zijn vriend Eberhard Bethge en de briefwisseling met zijn verloofde Maria von Wedemeyer. Met deze brieven kwamen ook Bonhoeffers gedichten naar buiten. De brieven die naar buiten worden gesmokkeld, geven een indruk van zijn miserabele gevangenisleven, dat hem zwaar valt. Zijn gedicht ‘Wie ben ik’ getuigt van zijn worsteling tussen depressies, innerlijke kracht en het door God gekend zijn.
In een dooppreek uit 1944 schrijft hij de beroemde woorden: ‘ons christen-zijn zal in deze tijd bestaan uit slechts twee elementen: bidden en onder de mensen gerechtigheid doen’. Zo leeft Bonhoeffer ook zelf in de gevangenis. Hij verzorgt zieken en schrijft voor zijn medegevangenen een aantal gebeden.
Op 8 oktober 1944 wordt Bonhoeffer naar de keldergevangenis van het Gestapohoofdgebouw gebracht. Het versturen en ontvangen van brieven wordt dan vrijwel onmogelijk. Maar juist uit deze laatste maanden van zijn leven stamt het gedicht ‘Goede machten’, dat we straks nog zullen horen. Hij schreef het als kerstgroet en nieuwjaarswens voor Maria en haar en zijn familie. Als lied is het ook in ons Liedboek te vinden. Het vormt zijn getuigenis dat, wat er ook op je afkomt, het door het geloof te dragen is.

Vanwege zijn betrokkenheid bij de aanslag op Hitler wordt hij kort voor het einde van de Tweede Wereldoorlog, op 9 april 1945, op persoonlijk bevel van de Führer opgehangen in het kamp Flossenburg.

Een vroeg werk van Bonhoeffer, uit 1937, is Navolging, een uitleg van de Bergrede. Het lijkt mij dan ook passend om enkele verzen uit de Bergrede, uit Matteüs 5, te lezen en die in een moment van stilte te overdenken.

De gedichten komen uit het werkboekje ‘BONHOEFFER75’, voor € 2,- + porto te bestellen bij: bonhoeffer75@kpnmail.nl

Overdenking bij Pinkstervesper 2018: Dietrich Bonhoeffer

18 mei 2018
Paaskerk
Renger Prent

Dietrich Bonhoeffer

Wie is hij? Dietrich Bonhoeffer, geboren in 1906, in een aristocratisch milieu. Op 21 jarige leeftijd is hij gepromoveerd, op 24 jarige leeftijd universitair docent. Hij was zich als één van de eerste theologen bewust van het intrinsieke kwaad van het nationaal-socialisme en het anti-semitisme. Al in 1935 zegt hij: ‘Alleen wie opkomt voor de joden mag nog gregoriaans zingen’.

Binnen de kerk groeit de beweging ‘Deutsche Christen’ uit tot een groot instituut, zij ziet de kerk als ideologische steunpilaar van het nat.-socialisme. In de kerk van Bonhoeffer werd in 1933 op de synode van Berlijn de Ariërparagraaf ingevoerd opdat het predikantenambt alleen door ‘raszuivere’ mensen wordt uitgeoefend. Die synode wordt de ‘bruine synode’ genoemd, vanwege het grote aantal deelnemers dat in het bruine hemd van de SA verschijnt.

Kort daarna wordt Bonhoeffer predikant bij de Duitse gemeente van Londen. In 1935 komt hij terug en wordt leider van een nieuw seminarie voor studenten van de Bekennende Kirche, een bescheiden organisatie waarvan niet alle leden tegen het nat.-socialisme waren, maar wel tegen inmenging van de staat in de kerk. In 1937 werd het seminarie door de Gestapo gesloten.

Bonhoeffer dreigde opgeroepen te worden voor militaire dienst, maar kreeg toestemming voor een reis naar Engeland en Amerika en uitstel van militaire dienst. Hij voelt zich verplicht om terug te keren naar Duitsland. Daar veranderen zijn aanvankelijk nogal pacifistische opvattingen over verzet tegen de overheid en gaat hij steeds scherper de tekortkomingen van de Lutherse twee-rijken-Ieer zien.

Bonhoeffer werd aangesteld bij de militaire inlichtingendienst waar veel mensen werkten die betrokken waren bij het verzet. Toen de Gestapo malversaties bij de dienst ontdekte, werden veel medewerkers daarvan, ook Bonhoeffer, in april 1943 gearresteerd. Omdat hij als politieke gevangene werd gezien, kreeg hij geen steun van de Bekennende Kirche. Tot eind 1944 zat hij gevangen in Berlijn-Tegel. Een bevriende bewaarder smokkelde zijn brieven naar buiten. Die brachten hem uiteindelijk de bekendheid en waardering die hij nu heeft.

Hij schreef ze aan zijn collega Eberhard Bethge en ontwikkelt daarin zijn gedachten over de kerk na de oorlog en een religieloos christendom. Hij stelt veel goede vragen, geeft soms een begin van antwoord. Hij wist dat na de oorlog in West-Europa het spreken over God met veel uitroeptekens en zekerheden, niet meer zou kunnen. Op grond daarvan is hij nogal eens tot een vroege ontwerper van de god-is-dood theologie gezien. Dat lijkt niet juist, hij stelt wel dat de vanzelfsprekendheid van een samenleving die berust op waarden en normen vanuit een breed gedeelde christelijke overtuiging, voorbij zal zijn. Hij stelt de vraag hoe dan nog zinvol over God te spreken is en hoe daar gestalte te geven aan het kerk-zijn.

De kerk heeft die vragen niet opgepakt. De meerderheid van de Duitse kerken heeft hem nog jarenlang gezien als een landverrader en een politieke activist. Eerst na publicatie van zijn gevangenisbrieven en de waardering die zij buiten Duitsland kregen, kwam daar verandering in.
Een enkel woord van hem:

‘Er bestaan niet twee werkelijkheden, maar slechts één, dat is de werkelijkheid van God, zoals deze in Christus openbaar geworden is in de werkelijkheid van de wereld’.

‘De God die de wereld doet leven zonder de werkhypothese God, is de God voor wiens aanschijn wij staan. Voor en met God leven wij zonder God. God laat zich uit de wereld terugdringen tot op het kruis’.

‘De dag zal komen dat weer mensen worden geroepen om het woord van God zo te spreken, dat de wereld daardoor verandert. Het zal een nieuwe taal zijn, misschien volstrekt niet-religieus, maar bevrijdend en verlossend zoals de taal van Jezus.’

Kort voor het einde van de oorlog wordt hij naar het kamp Flossenburg gebracht. Daar wordt hij op 9 april 1945, op persoonlijk bevel van Hitler, opgehangen. De beul zei: Nooit heb ik iemand zo kalm en beheerst het schavot zien beklimmen.

Voor hem gold wat hij allen voorhield: ‘Alleen wie zo houdt van het leven en de aarde, dat met het verlies hiervan alles hem/haar verloren schijnt, mag in de verrijzenis en een nieuwe wereld geloven.